WOORDEN ZIJN DADEN

Zo kleinschalig en lokaal als Axcents verzet tegen de sociaal-economische gang van zaken ook is, het kan niet om de complexiteit van de uitdagingen heen. Die complexiteit mag ons niet verlammen, maar ze mag ons evenmin bij wijze van vlucht vooruit tot impulsief activisme aansporen waarbij iedere vorm van actie verkieslijker zou zijn dan helemaal geen actie. Elk verzet van lange adem moet intellectueel worden doorgedacht: het gevoel van onrecht wordt eerst vruchtbaar, wanneer het wordt getransformeerd in onderbouwd protest. Dat geldt ook voor interlevensbeschouwelijk protest. In religies en levensovertuigingen is het gevoel van verontwaardiging weliswaar onmisbare brandstof. Het profetische optreden drijft op woede over de onverschilligheid waarmee mensen bij onrecht de andere kant op kijken. Maar woede en verontwaardiging die niet regelmatig kunnen terugvallen op een analytisch verhaal, raken snel opgebrand.

Het moet dus van meet af aan duidelijk zijn: Axcent treedt de verabsolutering van het onderscheid tussen theorie en praktijk niet bij. In tijden van onrecht en hartverscheurend leed is de neiging groot om het onderscheid juist wél aan te dikken. “Geen woorden maar daden”: het is een terugkerende leuze onder de doeners die in zijn wervende eenvoud een verwijt wordt aan het adres van degenen die “met al hun geleerde theorieën” in de inertie blijven steken.

Het op de spits gedreven onderscheid tussen woord en daad gaat er stilzwijgend van uit dat de daad zich in een intellectueel vacuüm voltrekt en rechtstreeks, als het ware uit het woordeloze niets, de werkelijkheid transformeert.

Dat is natuurlijk onzin. In het verleden waren woorden en theorieën vaak de beslissende aanstichter voor menselijk handelen. De instandhouding van onderdrukking gebeurt evengoed met ideeën als met fysiek of institutioneel geweld. Omgekeerd hangt de doeltreffendheid van een “tegencultuur” in belangrijke mate af van een tegendraadse verbeelding die met nieuwe of herontdekte woorden en beelden een wig drijft in de ideologische en morele berusting. Woorden zíjn daden.

De Engelse sociale geograaf David Harvey [1] probeerde onlangs het “ontstaan” van het neoliberalisme na te sporen. Die onderneming doet op het eerste gezicht vreemd aan. We zijn de typische aspecten van het neoliberalisme immers zo gewoon, dat we ons eenvoudig weg niet meer kunnen voorstellen dat het ooit anders is geweest, laat staan dat er een sociaal-economisch en levensbeschouwelijk alternatief zou bestaan voor utilitaristisch denken, privatiseringen, overheidsbesparingen, groeiende ongelijkheid, onbeperkte bewegings- en accumulatievrijheid van kapitaal, ecologische roofbouw, eigenwillige “markten” en industriële delokalisatie.

Door eenvoudig historisch onderzoek weet Harvey die vanzelfsprekendheid te ontmaskeren. Vanzelfsprekend laat een ingewikkeld fenomeen als het neoliberalisme laat zich niet terugvoeren op één of zelfs meerdere beginmomenten. Maar het helpt aardig als we leren inzien dat het neoliberalisme geen natuurverschijnsel is, even oud en onvermijdelijk als de zwaartekracht die de planeten in het gareel houdt, maar een ontstaansgeschiedenis heeft die Harvey onder andere in verband brengt met woorden en ideeën door concrete mensen op concrete plekken uitgesproken, neergeschreven en herhaald, tot ze, op een goede dag, in staat bleken de werkelijkheid te legitimeren en te versterken.

Wat was dan volgens Harvey zo’n ideologisch funderingsmoment van het neoliberalisme?

Onder auspiciën van de Amerikaanse Kamer van Koophandel staken een aantal intellectuelen en beleidsmakers in de zomer van 1971 de hoofden bij elkaar om een tegenoffensief te beginnen tegen wat zij een wijdlopige aanval op het Amerikaanse ondernemerschap noemden. Het Amerikaanse businessmodel was in groot gevaar, zo luidde het, en de dreiging ging vooral uit van “volmaakt respectabele elementen uit de samenleving”: universiteiten, preekgestoelten, media, wetenschappelijke en literaire tijdschriften, kunst en wetenschappen en politici. “Bij het merendeel van die groepen is het slechts een minderheid die zich kant tegen het systeem. Maar vaak is die wel het meest welbespraakt, het luidst en het productiefst als het op schrijven of spreken aankomt”.

Om het tij te keren moest de Kamer van Koophandel dringend het voortouw nemen in een grootscheeps, breed gefinancierd en duurzame offensief bij universiteiten, scholen, media, uitgeverijen en rechtbanken opdat de mensen op een andere manier zouden beginnen te denken over “bedrijf, wetgeving, cultuur en individu”. Tot dan toe waren de hardwerkende ondernemers geen partij geweest voor de criticasters van het systeem. Ze misten iedere vaardigheid om trefzeker hun mannetje te staan in het intellectuele en filosofische debat.

Daarom moest er een groep van hoog gekwalificeerde onderzoekers op de been worden gebracht “die in het systeem geloofden” en door hun kennis en ervaring het verschil konden maken in publieke debatten, vooral dan in de “links georiënteerde” faculteiten waar men sociale wetenschappen onderwees. Daarnaast moest de Kamer met de oprichting van een Speaker’s Bureau over hoogst effectieve en inzetbare spreekbuizen uit het Amerikaanse ondernemerschap kunnen beschikken. En ten slotte moest ze kunnen doorwegen op de evaluatie van studieboeken in de sociale wetenschappen, vooral dan in “economie, politieke wetenschap en sociologie”.

Ook het middelbaar onderwijs, justitie, televisie, radio, kranten en wetenschappelijke tijdschriften moesten op dezelfde uitgedokterde manier worden klaargestoomd voor de op handen zijnde Kulturkampf. Met de nodige volharding kon de strijd om de ideeën in het voordeel van het Amerikaanse ondernemerschap worden beslecht.

Een nieuwe culturele consensus

Bij zoveel geraffineerd, wijdvertakt en oppermachtig lobbygeweld zouden we ons, veertig jaar verder, ontmoedigd voelen bij de gedachte aan levensbeschouwelijke weerstand tegen de sociaal-economische gang van zaken. Waar zouden wij, verdwaasde dwergen op het geglobaliseerde schaakbord, in vredesnaam moeten beginnen? Maar Harveys opklimming naar de oorsprong van het neoliberalisme biedt bij nader inzien houvast en perspectief. Uit het lobbywerk dat het neoliberalisme voorafging blijkt immers dat woorden en ideeën er wel degelijk toe doen! Ze hebben hun aandeel in de keer der dingen. Ze hebben een transformatief karakter. Ze geven mee vorm aan de sociaal-economische werkelijkheid.

Als het inderdaad aantoonbaar is dat bestaande machtsverhoudingen gebaseerd op tomeloze competitiviteit en uitsluiting door bepaalde woorden en beelden werden ingeluid, dan is er niets dat ons belet ervan uit te gaan dat andere woorden en beelden stukje bij beetje aanleiding kunnen worden tot andere, mensvriendelijkere verhoudingen.

Het belang van woorden en beelden is eerst recht een opsteker voor de dialoog tussen levensovertuigingen. Levensovertuigingen moeten het hebben van zingeving, waarden en utopische vergezichten, en utopische vergezichten schijnen het vaak te moeten afleggen tegen een politiek realisme (lees: cynisme) dat de utopie naar het rijk van de fabelen verwijst . Maar de Franse socioloog Jean Barrea die een sociologie van de utopie [2] schreef, is categoriek in zijn onderzoek naar de rol en betekenis van de utopie: in tijden van diepe crises is het niet de politiek maar de cultuur die een radicaal andere toekomst voorbereidt. Politiek komt pas achteraf op het toneel, in de vorm van een georganiseerde onderneming die de utopische droom, die eerst een lang proces van intellectuele rijping en geleidelijke socialisatie moet doorlopen, in beleidsdaden omzet.

Barrea noemt de utopie een “culturele revolutie met politieke roeping”.

Het middenveld met zijn talloze religieuze en levensbeschouwelijke actoren hoeft dus niet bij de pakken te blijven zitten, in afwachting van betere tijden. In tegendeel: “betere tijden” vallen niet uit de lucht maar worden met geduld en volharding voorbereid door maatschappelijke groepen in de marge van het beleid die op langere termijn het politieke proces een nieuwe richting opsturen. De lange adem van religie en levensovertuiging speelt daarbij in hun voordeel. Zij kunnen met elkaar en met andere verenigingen uit het middenveld timmeren aan wat de Amerikaanse bisschoppen indertijd bijzonder gevat een “nieuwe culturele consensus” noemden [3]. Om de economische en sociale rechten van iedereen te vrijwaren, moesten er volgens die bisschoppen nieuwe economische overeenkomsten worden gesloten. Maar voorafgaandelijk was een nieuwe culturele consensus nodig, –

“a new cultural consensus that the basic economic conditions of human welfare are essential to human dignity and are due persons by right”.

Wat doet Axcent?

Het interlevensbeschouwelijke werk van Axcents volwassenenwerking moet worden begrepen in het licht van die nieuwe, utopische consensus. Religies en levensovertuigingen hebben een potentieel aan verbeelding en woordgebruik in huis dat een onmiskenbare bijdrage kan leveren aan een nieuwe maatschappelijke consensus over onvoorwaardelijke sociaal-economische basisrechten voor iedereen. Die consensus moet, anders dan voorheen, ook de natuur en haar rechten insluiten. Mens en natuur zijn beide gedupeerd door het tegenwoordige productie- en consumptieapparaat.

Axcent timmert op drie niveaus aan die nieuwe consensus mee. U vind ze elders in deze blog terug onder de categorie stand van zaken.

1° Een interlevensbeschouwelijke denk- en werkgroep. Intellectuelen en universitairen verzamelen uit eigen en andermans vakkennis en traditie inzichten die het verzet in het middenveld theoretisch helpen ondersteunen.

2° Axcents pluralistische raad van bestuur – eerste linie van de dialoog – waar het gesprek in toegankelijke en bruikbare conclusies moet uitmonden en de weg moet effenen naar solidaire acties.

Middenveldorganisaties die dankzij hun methodische ervaring de interlevensbeschouwelijke kennis en inzichten democratiseren door middel van laagdrempelige, emancipatorische initiatieven bij doelgroepen die vaak van het democratische debat zijn uitgesloten. Die praktijkgerichte democratisering komt op haar beurt de denk- en werkgroep en de raad van bestuur ten goede.

___________________

[1] David Harvey, A Brief History of Neoliberalism, Oxford University Press (2005)

[2] Ignace Berten, L’Europe et les religions, Colloque Justice et Paix, Strasbourg, 1er juin 2014 ; Vincent Legrand, L’altermondialisme à la lumière de la sociologie de l’utopie de Jean Barrea in : Françoise Massart-Pierard (dir.), Culture et Relations internationales – Liber Amicorum Jean Barrea, Presses universitaires de Louvain, 2007, pp. 125-146

[3] Economic Justice for All. Pastoral Letter on Catholic Social Teaching and the U.S. Economy, n° 83 ( U.S. Catholic Bishops, 1986)