1. Wie ben je?

Ik ben christen, katholiek en al 45 jaar priester. Ik heb 26 jaar voor de nationale en internationale christelijke arbeidersbeweging gewerkt en ben heel sterk actief geweest in verschillende solidariteitsorganisaties, waaronder Welzijnszorg en Kerkwerk Multicultureel Samenleven (KMS). Daarnaast ben 8 jaar pastoor geweest in een parochie in de Panne.  Nu ben ik verantwoordelijk voor de Nederlandstalige pastoraal in Sint-Gillis (Brussel).

Eigenlijk doet mijn biografie er niet toe. Ik vertel die dingen om de achtergrond te schetsen van waaruit ik geleidelijk aan bewust werd van de grote ongelijkheid in de maatschappij.

Ik kom nog uit de periode dat standen wat te betekenen hadden in Vlaanderen. Vlaanderen werd gedomineerd door één partij, de CVP (Christelijke Volkspartij, voorloper van de huidige CD&V, nvdr) , en de standen in de CVP hadden 40 jaar geleden een doorslaggevende betekenis. Ik herinner me nog heel goed welke vooroordelen in welke stand speelden. Je hoorde wat arbeiders, boeren en middenstanders over elkaar te vertellen hadden. Iedereen leefde in zijn eigen kringetje en zijn  denkwereld werd in grote mate bepaald door zijn sociaal-economische positie. Dat heb ik toen proefondervindelijk geleerd:  de sociaal-economische situatie en de arbeid die je verricht bepalen verregaande een mensenleven.

Tussen de standen was er grote ongelijkheid. Maar ook binnen iedere stand waren de tegenstellingen groot. In iedere stand zaten de kleintjes die door de mazen van het sociaal vangnet vielen. Zelf kwam ik uit de boerenstand en mijn vader maakte me voortdurend attent op de kleine boeren die de een na de andere zo maar verdwenen. Mijn eerste werk was in de arbeidersbeweging en daar leerde ik de problematiek van de arbeidersklasse en het arbeidersvraagstuk kennen. Na dertien jaar arbeidersbeweging kwam ik in een parochie in de Panne waar ik vooral met middenstanders te maken kreeg. Niet anders dan bij de boeren en de arbeiders zag ik ook daar schrijnende gevallen van armoede. Voor de drie standen gold hetzelfde principe: sociale organisaties zijn sterk om de sterken te verdedigen en zwak om de zwakken te verdedigen. Want de middenstandorganisatie kon eigenlijk niets doen voor kleine midddenstanders die failliet gingen en met grote schulden waren aangewezen op de bijstand.

Vandaag is de rol van de standen uitgespeeld. Maar de maatschappelijke ongelijkheid en het taboe daar rond blijven even groot. Wie bovenaan staat wil de grote ongelijkheid met wie onderaan staat liefst niet verwoorden. Men vindt het wel jammer voor degenen die onderaan staan, maar men voelt zich niet geroepen om met hen  een duurzame band aan te gaan. Dat is de fundamentele problematiek van mensen in armoede. Nog steeds.  Ze horen er eenvoudig weg niet bij. Toen niet en vandaag niet.

2. Waarom is voor jou de interlevensbeschouwelijke dialoog belangrijk en waarom heb je je aangesloten bij Axcent?

Het vertrekpunt van mijn interesse in de interlevensbeschouwelijke dialoog is de realiteit van de diversiteit aan levensbeschouwingen en het maatschappelijke  belang van religie en levensovertuiging vandaag de dag.

Tot tien jaar geleden maakte ik nogal eenzijdig een analyse in termen van secularisering: de secularisering zou verder toenemen en er zou steeds minder van religie of georganiseerde levensovertuiging overblijven, met agnosticisme of atheïsme als eindpunt. Bepaalde groepen in de wereld zaten misschien nog niet zo ver als wij op die seculariseringslijn, maar ze zouden wel volgen. Intussen ben ik van die positie teruggekomen. Professor Lieven Boeve van de KUL is overtuigd dat we die analyse in termen van secularisering moeten vervangen door een analyse in termen van pluralisering. We evolueren naar een veelheid van religieuze en niet-religieuze levensbeschouwingen die allemaal naast elkaar leven en waartussen interactie is. Ik denk inderdaad dat die beschrijving klopt. Dat hebben we niet alleen aan de moslims maar ook aan de boeddhisten te danken: hun aanvraag tot erkenning drukt ons met de neus op het feit dat wij als katholieken niet alleen op de wereld zijn.

Je moet namelijk weten dat ik vijftig jaar lang opgegroeid ben in een homogeen katholieke wereld. De Nederlandse en Duitse katholieken hadden gelukkig nog protestanten in hun buurt wonen. Wij in Vlaanderen kenden misschien een atheïst die niet naar de mis ging, maar dat was dan de een of andere “halve gare” met wie je geen rekening hoefde te houden.  En plots is die wereld gaan seculariseren. En omdat er geen andere levensbeschouwingen op het terrrein aanwezig waren die het tegendeel konden aangeven, kon je als Vlaming gemakkelijk denken dat die secularisering rechtlijnig en universeel  zou verlopen. Dankzij vooral de migratie zijn we afgestapt van het seculariseringsmodel en zijn we op het model van pluralisering overgestapt.

Laat er echter geen misverstand over bestaan. Zelf zit ik met een vergaand geseculariseerd geloof en ben daar niet rouwig om. Ik zou zeggen: wat een gelúk dat wij katholieken geseculariseerd zijn! Ik kan helemaal geen weg meer met het geloof van mijn kinderjaren. Ik moet een geseculariseerd geloof hebben om nog gelovig te zijn. In dat opzicht is secularisering een positief gegeven dat ons niet noodzakelijk tot agnosticisme of atheïsme brengt. Ik kan mij niet voorstellen dat de islam en andere religies geen vergaande secularisering zullen doormaken. Niemand leeft nog op een eiland. Maar secularisering als uitdieping van het geloof ten gunste van het mysterie is een wereld van verschil met secularisering als afsluiting  van elke openheid op transcendentie en zingeving. De eerste vorm zorgt voor de noodzakelijke uitzuivering van het geloof (precies zoals de mystici hun geloof uitzuiverden om alleen het mysterie over te houden). De tweede vorm is secularisme dat alle transcendentie in het bestaan uitsluit.

Levensbeschouwing  is dus een heel belangrijke factor in het samenleven van mensen. Een mens is persoon-in-gemeenschap en als we hem zien als een individu los van de gemeenschap  zijn we verkeerd bezig. Levensbeschouwing verhoogt de kwaliteit van het leven, zorgt voor een kader waarin plaats is voor de grote levensvragen en geeft een houvast. Mogelijke conflicten die dat samenleven bedreigen is de keerzijde van de medaille. Gemengde huwelijken zijn niet vanzelfsprekend, om maar te zwijgen over vormen van tribalisme en oorlog die met levensbeschouwelijke tegenstellingen te maken hebben. Dat laatste brengt de mensen ertoe te besluiten dat religie de oorzaak is van alle oorlogen.

Vandaar dat de interlevensbeschouwelijke dialoog zo verschrikkelijk belangrijk is. Om de rijkdom van de diversiteit niet verloren te laten gaan en om het samenleven door een actief pluralisme te bevorderen moeten we met elkaar in dialoog gaan.

Hoe dan?

Axcents maatschappelijke invalshoek heeft mij altijd sterk aangesproken. Een gesprek over de geloofsinhoud op zich loopt vaak vast in een steriele discussie. Samen kijken naar maatschappelijke realiteiten is heel leerzaam en schept verbondenheid. Wat hebben we elkaar te zeggen over, bijvoorbeeld,  de arbeidersproblematiek?  Zo een onderwerp kan de levensovertuigingen samenbrengen voor een maatschappelijke relevante dialoog. Weet je, toen ik jong was ben ik twee maanden in de mijn gaan werken, 800 meter onder de grond. Daar merk je zeer goed dat arbeid de mens maakt. Als je twintig jaar pastoor bent ben je getekend, als je twintig jaar mijnwerker bent ben je hier ook door getekend. Arbeid maakt de mens, en géén arbeid hebben maakt hem kapot.

3. Wat is het verband tussen levensovertuiging en economie?

Laatst las ik nog dat de 400 rijkste Amerikanen even veel bezitten als de 150 miljoen armste Amerikanen. En de Republikeinen, die nota bene veelal christen zijn, willen bovendien dat 40 miljoen mensen zonder ziekteverzekering blijven. Dat is toch godgeklaagd?  Hoe reageer je daarop vanuit je levensbeschouwing?  Dat is de invalshoek die Axcent wil leggen. En niet alleen: wat hebben ik en jij daarover te zeggen? Maar ook: wat gaan jij en ik daar samen aan doen?

Recent hebben we met Axcent beslist om de volwassenenwerking helemaal op economie toe te spitsen. Ik ben daar heel blij mee. Waarom?  Wegens de dominante rol van de economie in onze samenleving. Als ik me niet vergis sprak de pauselijke encycliek Quadragesimo anno indertijd (1931, nvdr) over de “dictatuur van de economie ”. We zouden nu eerder moeten zeggen: de dictatuur van het kapitaal. Zo draait onze wereld. Je moet maar de financiële crisis bekijken: daar is toch de dictatuur van het kapitaal aan het werk? Als Renault zijn deuren sluit in Vilvoorde en meer dan 3000 mensen op straat worden gezet, gaat de koers van het aandeel de volgende dag met 13% de hoogte in. Dat is toch de dictatuur van het kapitaal? Misschien was het vroeger niet anders. Maar in wat we nu het neoliberale kapitalisme noemen, is dat fenomeen alleen maar versterkt omdat met Thatcher en de Chicago Boys op kop de bestaande correctiemechanismen systematisch werden afgebouwd. Bepaalde regels gaven een stuk bescherming aan de werknemers. Die worden nu de een na de andere ontmanteld. Levensnoodzakelijke dingen worden geprivatiseerd om er winst mee te maken. Onze maatschappij heeft de keuze voor de Mammon gemaakt, om het in een typisch christelijke evangelische taal te zeggen.

Ik ben volstrekt geen economist, maar vanuit mijn ervaring kom ik tot het volgende. Simpel gezegd heb je drie werelden: de wereld van de economie, de wereld van de politiek en de sociale en culturele wereld. Wat zien we op dit moment? Dat die wereld van de economie, van het kapitaal, van multinationals, zowel de politieke wereld als de sociale en culturele wereld totaal domineert. De invloed daarvan is ongelooflijk groot. Omgekeerd is de invloed van de politieke en sociale sfeer op de economie zo goed als onbestaande: we staan er op te kijken als een hond op een zieke koe. Het beeld is misschien goed gekozen. De koe is inderdaad ziek en we staan misschien te blaffen, maar er komt nauwelijks beweging in. Hoeveel invloed hebben de syndicaten nog op de economie? Ze zouden wereldspeler moeten zijn maar dat zijn ze helemaal niet.  Het neoliberalisme heeft de rol van overheid zo goed als geschrapt.  Dat noem ik de dictatuur van de economie en vandaar het belang daar heel intens mee bezig te zijn. De gevolgen van die dictatuur op sociaal en ecologisch vlak – dat laatste moeten we er nu systematisch bij gaan nemen, omdat we daar bewuster van geworden zijn – zijn desastreus.

In dat licht wil ik graag meewerken: hoe staan levensbeschouwingen daar tegenover? Zijn ze daarmee bezig en welke rol zien ze voor zichzelf weggelegd? En áls ze daarmee bezig zijn, vinden ze dat problematisch of niet? Daarover moeten we dringend in dialoog gaan met elkaar.  We moeten samen onze bijdrage leveren om  de machtsverhoudingen om te keren en de dictatuur van de economie onderuit te halen, en zo sociale correctie en sociale bescherming van mensen opnieuw mogelijk maken.  Anders is onze maatschappelijke relevantie als religie of levensovertuiging heel beperkt.

4. Wat zou je eigen inbreng kunnen zijn?

In het  vormingswerk heb ik geleerd dat je in zo’n proces moet vertrekken van bij de mensen zelf.  Anders praten we naast hen heen.  We hebben heel ons leven gepreekt en gepreekt en de mensen weten vaak nog niet waarover het eigenlijk gaat.  We gaven antwoorden op vragen die ze niet stelden.  We hebben onvoldoende geluisterd en hun vragen als uitgangspunt genomen.

Ook in de dialoog moeten we vertrekken van waar de deelnemers aan het gesprek staan.  En sommigen staan op dat vlak nog nergens. Dat moeten we respecteren. De vraag is dus met welk publiek we willen werken en wat we denken zelf daarin te kunnen bijdragen. We moeten goed luisteren naar mekaar en proberen samen vooruit te gaan. Anders heeft dialoog geen zin, is het geen dialoog. Het resultaat van een echte dialoog (en de vreugde die je er aan beleeft) is niet zozeer  het bereikte eindpunt maar wel  het aantal stappen dat je samen hebt gezet. Dat vraagt enorm veel geduld. Dialoog, dat is marathonwerk, dat is niet voor spurters. Als je niet bereid bent een marathon te lopen moet je er niet aan beginnen. Je kunt wel leren marathon te lopen, dat is nog wat anders. Maar je moet weten dat het over marathon gaat. En dan denk ik ook aan onze subsidiërende opdrachtgevers. Wat willen ze als output? Willen ze grote en schone brochures of mogen we zeggen: we zijn met die groep vijf stappen vooruitgegaan? Dialoog vraagt geduld, is bescheiden en is in dat opzicht vergelijkbaar met vormingswerk. Je kunt er niet altijd mee uitpakken, maar het is vaak bevrijdend voor de mensen met wie je werkt.

Ik wil graag meedenken in heel dat proces. Ik droom ervan dat vanuit Axcent een model, een werkvorm voor dat soort dialoog zou kunnen groeien, die zo aanstekelijk werkt  dat er binnen enkele jaren heel wat mensen en groepen zo op weg zijn met mekaar. Dit zou een belangrijke bijdrage zijn aan een betere wereld.

Dan zal ik  meer dan ooit kunnen geloven: “Un autre monde est possible”.